Scholing: wanneer betaalt je werkgever, en wanneer regel je het zelf?
Je wilt een opleiding volgen, maar je werkgever twijfelt. Is het wel nodig voor je functie? Past het binnen het budget? En als je werkgever nee zegt, kun je het dan zelf regelen? In dit artikel lees je welke scholing onder die wettelijke regel valt, waar de grens ligt, wat je met een studiekostenbeding in je contract aan moet, waar je in je cao kijkt, welke fondsen er in de culturele en creatieve sector zijn, en wat je kunt doen als je werkgever niet betaalt.
In het kort
- Scholing die noodzakelijk is voor het uitoefenen van je functie moet je werkgever kosteloos aanbieden.
- De tijd die je eraan besteedt telt als arbeidstijd, en de scholing vindt zo mogelijk plaats op de tijdstippen waarop je werkt.
- Een afspraak dat je die kosten terugbetaalt of dat ze met je loon worden verrekend, is nietig en heeft dus nooit gegolden.
- Ook de bijscholing die je verplicht moet doen om een bevoegdheid te houden, valt daaronder.
- Een diploma of certificaat dat je al moest hebben voordat je aan het werk mocht, valt er in beginsel buiten.
- Voor scholing die niet noodzakelijk is voor je functie mag je werkgever wel een terugbetalingsafspraak maken, en daar gelden eigen eisen voor.
- In je cao en bij de fondsen in de sector kan meer geregeld zijn dan in de wet, vooral voor ontwikkeling die verder gaat dan je huidige functie.
Wat moet je werkgever betalen?
Scholing die noodzakelijk is voor het uitoefenen van je functie moet je werkgever je laten volgen, en de kosten daarvan komen voor rekening van je werkgever. Dat staat in artikel 7:611a van het Burgerlijk Wetboek. Lange tijd was onduidelijk of dat ook betekende dat zulke scholing altijd kosteloos moest zijn. Sinds een uitspraak van de Hoge Raad van 26 september 2025 is dat wel duidelijk: alle scholing die noodzakelijk is voor je functie moet kosteloos worden aangeboden. Daaruit volgt:
- De scholing is kosteloos voor jou. Dat gaat verder dan het lesgeld: ook reiskosten, boeken, ander studiemateriaal en examengeld komen voor rekening van je werkgever.
- De tijd die je eraan besteedt telt als arbeidstijd. Het is werk en geen vrije tijd.
- Als het mogelijk is, vindt de scholing plaats op de tijdstippen waarop je toch al werkt.
- Je werkgever kan die kosten niet later alsnog op je verhalen, ook niet door ze te verrekenen met je salaris of eindafrekening.
Het gaat niet alleen om cursussen die je werkgever je oplegt, maar om alles wat je nodig hebt om je werk te kunnen doen. In de toelichting bij de wet worden als voorbeelden genoemd: de scholing die je moet volgen om met een nieuw computersysteem te kunnen werken dat je werkgever invoert, en scholing in het kader van een verbetertraject. Ook als jij het initiatief neemt kan de scholing noodzakelijk zijn.
Waar ligt de grens?
Niet alles wat je voor je vak nodig hebt komt voor rekening van je werkgever. Dat hangt af van het moment waarop je aan het werk ging.
Heb je voor je werk een certificaat of een bevoegdheid nodig, dan is de vraag steeds dezelfde: moest je die al hebben voordat je aan de slag mocht, of heb je die nodig om het werk te blijven doen dat je nu doet? Gaat het om het eerste, dan zegt de wet niets over wie betaalt en telt wat je onderling hebt afgesproken. Gaat het om het tweede, dan is je werkgever aan zet. Zo besliste de Hoge Raad over de beroepsopleiding voor advocaat-stagiairs. Die stagiair staat al ingeschreven, doet al het werk en wordt daarvoor betaald, dus volgt hij de opleiding tijdens het werk en niet als voorbereiding daarop. De kosten komen dan voor rekening van het kantoor.
Drie dingen die je zelf kunt nagaan:
- Stond het diploma of certificaat in de vacature of in je contract als voorwaarde om te kunnen beginnen? Dat wijst erop dat je het al moest hebben voordat je begon.
- Doe je het werk al en krijg je er gewoon voor betaald terwijl je de scholing volgt? Dat wijst op scholing tijdens het werk.
- Gaat het om het verlengen of herhalen van iets wat je al hebt? Dan speelt de vraag of het een vooropleiding was niet meer.
Dat geldt ook voor bijscholing die je verplicht moet doen om een bevoegdheid te behouden. De opleidingspunten die advocaten elk jaar moeten halen, komen om die reden voor rekening van hun werkgever. Het gaat dan wel om het aantal dat je minimaal moet halen. Doe je daarbovenop nog scholing, dan valt die er niet vanzelf onder, en is per geval de vraag of je die nodig hebt voor je werk.
In de rechtspraak is deze grens per beroep verschillend uitgevallen, dus een uitkomst die voor de ene functie geldt, geldt niet zonder meer voor de jouwe. En dat je werkgever er anders over denkt, maakt het antwoord niet anders: het gaat er niet om wie het zegt, maar of de scholing nodig is voor het werk dat je doet.
Mocht je dit werk al doen op de dag dat je begon, of moest je daarvoor eerst nog een opleiding of certificaat halen?
Waar het grijs wordt
Nuttig is niet hetzelfde als noodzakelijk, en dat verschil beslist wie betaalt. Drie situaties die in de sector voorkomen:
- Je werkt als marketeer bij een poppodium en wilt een cursus videobewerking volgen. Je werkgever vindt dat je het zonder kunt, terwijl video in jouw werk steeds belangrijker wordt. Hier gaat het om je huidige functie, dus de vraag is of je die functie zonder die vaardigheid nog goed kunt uitoefenen. Verschuift je werk daadwerkelijk die kant op, dan is dat een sterk argument.
- Je bent podiumtechnicus en wilt een opleiding lichtontwerp volgen. Je werkgever zegt dat je bent aangenomen als technicus en niet als ontwerper. Hier gaat het om ander werk dan waarvoor je bent aangenomen, dus de wettelijke regel helpt je waarschijnlijk niet.
- Je werkt bij een museum en wilt een cursus leidinggeven volgen, met het oog op een volgende stap. Ook hier is de scholing gericht op een toekomstige functie en niet op je huidige, en gaat het gesprek dus over je cao en over wat je afspreekt.
Wordt de scholing je opgedragen, dan is dat een aanwijzing dat je werkgever haar zelf noodzakelijk vindt.
Wat als er een studiekostenbeding in je contract staat?
Een studiekostenbeding is een afspraak dat je een deel van de opleidingskosten terugbetaalt als je binnen een bepaalde termijn uit dienst gaat. Of die afspraak standhoudt, hangt af van de vraag of de scholing noodzakelijk was voor je functie.
Was zij dat, dan is de afspraak nietig. Nietig betekent dat die afspraak juridisch nooit heeft bestaan. Je hoeft er niets tegen te ondernemen: geen bezwaar maken, geen termijn bewaken, geen procedure starten. Dat je die hebt getekend maakt niet uit, en het maakt ook niet uit of je de opleiding hebt afgerond of waarom je vertrekt.
Je werkgever kan zich er dus niet op beroepen, niet als hij het bedrag bij je opvraagt en niet als hij het inhoudt op je salaris of op de eindafrekening bij je vertrek. Het verbod op verrekenen is ruim: het gaat om alles wat je uit je dienstverband ontvangt, dus ook vakantiebijslag, een eindejaarsuitkering, winstuitkering of reiskostenvergoeding. Is er al iets ingehouden, dan is dat een inhouding zonder grondslag en kun je dat bedrag terugvragen.
Was de scholing niet noodzakelijk voor je functie, dan mocht je werkgever wel zo’n afspraak maken. Dan is het beding niet nietig, maar het moet nog steeds aan eisen voldoen. Er moet in staan over welke periode je werkgever baat heeft bij de opleiding, en binnen die periode moet het bedrag met de tijd afnemen naarmate je langer in dienst blijft. En je werkgever moet je vooraf duidelijk hebben gemaakt wat de gevolgen zijn, dus welke opleiding eronder valt en om welke bedragen het gaat. Een enkele verwijzing naar een artikel in je contract is daarvoor niet genoeg.
Wat staat er in je cao?
In cao’s in de sector staan afspraken over scholing die verder gaan dan de wet. Dit zijn de vormen die je tegen kunt komen:
- een persoonlijk opleidingsbudget dat je zelf besteedt;
- een ontwikkelplan dat je met je leidinggevende opstelt;
- een jaarlijks gesprek over je ontwikkeling;
- een tegemoetkoming in studiekosten, soms met verlof erbij.
Die ruimte is niet onbeperkt. Kijk of je de scholing in overleg moet kiezen, en waarvoor het budget bedoeld is: bij de ene cao is scholing voor je eigen functie er juist van uitgesloten, bij de andere is dat er het doel van.
Aan het werkwoord zie je wat een bepaling waard is. Aanbieden, mogelijk maken en stimuleren zijn intenties. Verzorgen, of de bepaling dat jij bepaalde scholing moet volgen, is een verplichting. Stelt je cao scholing verplicht die je voor je huidige functie niet nodig hebt, dan geldt daarvoor hetzelfde als voor noodzakelijke scholing: kosteloos en in arbeidstijd.
In de podiumkunsten regelen cao’s een deel van de ontwikkeling niet in geld maar in uren: uren in je jaartaak om je vakbekwaamheid op peil te houden, bijvoorbeeld voor het onderhouden van je speelconditie, voor instrumentonderhoud of voor voorbereiding. Zoek daarvoor niet alleen in het scholingsartikel maar ook in het hoofdstuk over arbeidstijd.
Staat er in je cao een regeling over het terugbetalen van studiekosten, dan kan die niet gelden voor scholing die noodzakelijk was voor je functie. Ook niet als er staat dat je bij tussentijdse beëindiging alles terugbetaalt.
Welke cao op jou van toepassing is en hoe je dat nagaat, lees je in Welke cao geldt voor jou? Wil je eerst zien welke cao’s er in de sector zijn, gebruik dan de cao-kaart.
Wat de sector zelf regelt
Naast je werkgever en je cao kent de sector fondsen voor scholing en loopbaanontwikkeling, betaald uit premies van werkgevers en werknemers. Waar je terechtkunt, hangt af van je vakgebied en van de vraag of je werkgever is aangesloten.
In de podiumkunsten
De fondsen voor de podiumkunsten worden uitgevoerd door LOF Podiumkunsten:
- Het Sociaal Fonds Podiumkunsten ondersteunt professionele ontwikkeling van werkenden bij aangesloten instellingen: cursussen, trainingen, masterclasses, intervisie en loopbaanbegeleiding. Voor werknemers geldt dat je in de afgelopen twaalf maanden minimaal vier maanden bij een deelnemende instelling moet hebben gewerkt. Je dient zelf in, en je werkgever kan ook aanvragen voor een team of de hele organisatie.
- Het Sociaal Fonds Nederlandse Podia doet hetzelfde voor werknemers bij theaters en muziekpodia die bij de VSCD zijn aangesloten.
- Omscholing Dansers Nederland is er voor professionele dansers en biedt loopbaanbegeleiding en financiële steun, zowel bij een overstap naar ander werk als bij verdieping in het vak.
Buiten de podiumkunsten
- Het Filmfonds kent een bijdrage voor individuele training voor wie minimaal twee jaar als filmprofessional werkt en aantoonbaar aan producties heeft meegewerkt. Je dient die aanvraag zelf in.
- Het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten kent een beurs voor journalistieke ontwikkeling, bedoeld voor journalisten die zich verder willen bekwamen in onderzoeksjournalistiek. Er geldt een ervaringseis van minimaal twee jaar als onderzoeksjournalist, met een uitzondering voor wie net is afgestudeerd aan een journalistieke opleiding. Werk je in loondienst, kijk dan bij het fonds wat je precies kunt aanvragen, want dat verschilt van wat een freelancer kan aanvragen.
Het Sociaal Fonds Podiumkunsten vergoedt uitdrukkelijk geen activiteiten die al tot je standaardfunctie behoren, terwijl de wettelijke regel juist daarover gaat. Wijst een fonds je aanvraag af omdat de scholing te dicht bij je functie ligt, dan is dat juist een reden om er met je werkgever over te praten.
De actuele bedragen, percentages en voorwaarden staan bij de fondsen zelf, en die zijn daar leidend.
Wat kun je doen als je werkgever niet betaalt?
Vraag niet of je werkgever de cursus nuttig vindt, want dat is niet van belang voor de wettelijke regel. Vraag of de scholing noodzakelijk is voor het uitoefenen van je functie, en onderbouw dat met wat er in je werk verandert. Het gesprek gaat dan niet meer over budget en prioriteiten, maar over de vraag of je die scholing nodig hebt om je werk te doen.
Krijg je te horen dat er geen of te weinig budget is, dan verandert dat niets: scholing die noodzakelijk is voor je functie moet je werkgever betalen, ook als het budget krap is.
Gaat het niet om noodzakelijke scholing, dan heb je geen wettelijk recht op een vergoeding. Dat betekent niet dat het alleen van goede wil van de werkgever afhangt. De scholingsplicht is in 2015 in de wet gezet als invulling van goed werkgeverschap, en de Hoge Raad stelt vast dat het artikel van begin af aan ook zag op je ontwikkeling en op scholing voor een toekomstige functie. In verschillende cao’s in de sector staat dat de werkgever een vast deel van de loonsom voor opleiding reserveert. Vraag dus naar de omvang en de vorm, en niet alleen of het kan. Denk daarbij aan gespreid betalen, een deel onder werktijd of een combinatie met een sectorfonds.
Gaat het om scholing die noodzakelijk is voor je functie en kom je er samen niet uit, dan is er geen instantie die hierop toezicht houdt en die je kunt inschakelen. Wat er wel is:
- Geldt er een cao en ben je lid van een vakbond, dan kan die bond de bepaling uitleggen en zo nodig bij je werkgever aan de orde stellen; het is de bond die partij is bij de cao en niet jij.
- Gaat het niet alleen om jouw geval maar om hoe de organisatie scholing regelt, dan hoort dat bij de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging, als die er is.
- Blijft het een verschil van mening over jouw eigen situatie, dan is de kantonrechter de weg die overblijft.
Vraag je om scholing die kosteloos hoort te zijn, of stel je dat een terugbetalingsafspraak niet geldt, dan mag je werkgever je daar niet om benadelen. Dat geldt ook als je er een klacht over indient of iemand anders daarin bijstaat.
Zelf regelen via Werktuig PPO
Wil je je ontwikkelen op een manier die verder gaat dan je functie vereist, dan kun je zelf ook een aanvraag doen bij Werktuig PPO. Die regeling staat open voor alle werkenden in de culturele en creatieve sector, dus zowel voor werknemers als voor zzp’ers. Je doet zelf een aanvraag, niet via je werkgever. Scholing die je werkgever wettelijk moet betalen valt erbuiten. Wat de regeling inhoudt en wanneer die past, lees je in Professioneel ontwikkelen met Werktuig PPO.
Meer weten?
Heb je nog vragen over scholing, je cao of de mogelijkheden om je te ontwikkelen? Stel ze aan onze slimme AI-chat.
Dit artikel volgt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, versie 1 juli 2026. Wijzigt die wettekst, dan leggen we dit artikel daar opnieuw naast.