Een arbeidsovereenkomst opeisen: wat moet je aantonen?
Vanaf 31 december 2026 komt er een nieuwe regel in de wet die het makkelijker maakt om een arbeidsovereenkomst op te eisen. Werk je tegen een beloning op of onder de wettelijke tariefgrens, dan kun je je erop beroepen dat je eigenlijk een arbeidsovereenkomst hebt. Wat die regel is, voor wie hij geldt en hoe je een gage of vaste prijs omrekent naar een uurtarief, lees je in ons artikel Zzp’er in de cultuursector: werk je écht zelfstandig? Dit artikel gaat over de stap daarna: wat je moet kunnen laten zien als je een beroep op deze nieuwe regel wilt doen, en wat je eraan hebt. Dat is in de culturele en creatieve sector een relevante vraag, want wie per voorstelling, per opdracht of per stuk wordt betaald, heeft geen uurtarief om naar te wijzen.
In het kort
- Vanaf 31 december 2026 kun je een arbeidsovereenkomst opeisen als je werkt tegen een beloning op of onder de wettelijke tariefgrens.
- Om dat te doen, moet je onderbouwen wat je per uur verdiende. Werk je met een gage of een vaste prijs, dan reken je dat zelf om.
- Bij het omrekenen telt de tijd mee die direct bij de opdracht hoort, dus ook je voorbereiding. Maar je reistijd van huis telt bijvoorbeeld niet mee, en kosten die je als ondernemer toch al maakt gaan er ook niet af.
- Ben je ondernemer voor de inkomstenbelasting? Dan moet je meer zelf onderbouwen dan wanneer je dat niet bent.
- Niet alles is in de wet geregeld. Het kabinet heeft bewust niet vastgelegd welke uren en kosten in alle situaties meetellen.
- Doe je een beroep op de nieuwe regel, dan ben je niet automatisch werknemer. Je opdrachtgever kan weerleggen dat er sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst.
- Is er loonheffing ingehouden op je gage? Reken dan met het brutobedrag.
Wat moet je straks kunnen laten zien?
De nieuwe regel wordt het ‘rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst’ genoemd. Dat betekent dat wanneer jij kan laten zien dat je beloning op of onder de tariefgrens ligt, de rechter ervan uit gaat dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Je opdrachtgever kan dan aantonen dat dat niet zo is. De regel komt in artikel 7:610aa van het Burgerlijk Wetboek te staan. Je moet er zelf een beroep op doen. Een rechter doet dat niet uit zichzelf, en de Belastingdienst, het UWV en de Arbeidsinspectie kunnen het niet voor je inroepen.
Het begint dus bij je uurtarief. Werk je op uurbasis, dan is je factuur een goed uitgangspunt. Krijg je een gage per voorstelling, een prijs per opdracht of een bedrag per stuk, dan moet je zelf laten zien hoeveel uren tegenover dat bedrag stonden. Reken daarbij met wat er werkelijk is betaald en zonder btw. Is een opdracht afgebroken of maar deels betaald, dan verandert de uitkomst ook. In ons artikel ‘Je opdracht wordt geannuleerd‘ lees je wat er dan met je vergoeding gebeurt.
De regel geldt bij elke opdracht, ook bij een eenmalig optreden. Maar rechten als loondoorbetaling bij ziekte, vakantiegeld en ontslagbescherming gaan pas echt een rol spelen bij een samenwerking die doorloopt of steeds terugkomt. Werk je drie maanden of langer wekelijks voor dezelfde opdrachtgever, dan kun je daarnaast nog een tweede regel gebruiken. Hierover verderop in het artikel meer.
Moet je dit helemaal zelf uitzoeken?
Wil je straks een beroep doen op het rechtsvermoeden, dan moet je onderbouwen wat je per uur verdiende. Hoeveel je daarvoor zelf moet uitzoeken, hangt ervan af of de Belastingdienst je als ondernemer voor de inkomstenbelasting ziet.
Ziet de Belastingdienst je niet als ondernemer voor de inkomstenbelasting, dan valt je opdracht onder de Wet minimumloon. Je opdrachtgever moet dan kunnen laten zien dat hij je ten minste het minimumloon betaalt. Volgens de toelichting bij de wet betekent dat, dat hij bijhoudt hoeveel uur je hebt gewerkt en wat je daarvoor kreeg. Bestaat die administratie, dan kun je die gebruiken.
In de praktijk is dat lang niet altijd zo. Spreek je één bedrag af voor een voorstelling of een klus, dan heb je zelf waarschijnlijk wel ingeschat hoeveel tijd het kost. Maar die inschatting staat meestal nergens, en je opdrachtgever houdt je uren niet bij. Dan sta je alsnog voor de vraag hoe je achteraf laat zien hoeveel tijd het je heeft gekost.
Ziet de Belastingdienst je wel als ondernemer voor de inkomstenbelasting, dan geldt de Wet minimumloon niet voor jouw opdracht. Dan is het volledig aan jou om te onderbouwen hoeveel uren tegenover je vergoeding stonden. Je kunt daarvoor je eigen administratie gebruiken, bijvoorbeeld de uren die je bijhoudt voor de zelfstandigenaftrek.
Let op!
Bij de urenregistratie voor de zelfstandigenaftrek mag je alle uren meetellen die je aan je onderneming besteedt, dus ook acquisitie, administratie en scholing. Voor een beroep op het rechtsvermoeden gaat het alleen om de uren die bij één opdracht horen. Je kunt die registratie dus als startpunt gebruiken, maar niet één op één overnemen.
Weet je niet zeker hoe de Belastingdienst jou ziet? Kijk in je laatste aangifte inkomstenbelasting. Staat je inkomen daar als winst uit onderneming, dan ben je ondernemer voor de inkomstenbelasting. Staat het er als resultaat uit overige werkzaamheden, dan niet. Krijg je zelfstandigenaftrek, dan ben je in elk geval ondernemer. Andersom hoeft dat niet te kloppen, want voor die aftrek moet je ook een minimumaantal uren aan je onderneming besteden. Twijfel je nog, dan legt de Belastingdienst uit waar hij op let, en kun je de OndernemersCheck invullen.
Dit verschil bepaalt niet of je een beroep kunt doen op het rechtsvermoeden. Het bepaalt alleen hoeveel je zelf moet uitzoeken. In beide gevallen geldt dezelfde grens en dezelfde manier van rekenen.
Loopt je samenwerking al?
De nieuwe regel geldt ook als je opdracht al langer loopt. Er is geen overgangsregeling, dus vanaf 31 december 2026 gaat de regel meteen gelden voor samenwerkingen die op dat moment al bestaan. Ook als je je tarief al veel eerder hebt afgesproken, kun je je erop beroepen. Het kabinet heeft daar bewust voor gekozen: anders zouden juist de mensen met een lopende afspraak buiten de regel vallen.
De nieuwe regel gaat over arbeid die je verricht voor een ander, tegen een beloning die je van diezelfde ander krijgt. Werk je via een bureau, een productiehuis of een andere tussenpersoon, dan is er meer dan één partij in het spel: je werkt op de ene plek en je wordt betaald door een andere.
Wie dan die ander is, en tegen wie je je kunt beroepen op de regel, is een vraag die de wetgever niet heeft beantwoord. Werk je zo, houd daar dan rekening mee.
Wat staat vast en wat nog niet?
Het rechtsvermoeden gaat pas gelden vanaf 31 december 2026. Niemand heeft er dus nog mee gewerkt en er zijn nog geen uitspraken van rechters. Daar komt bij dat in de wet zelf niet staat welke uren en kosten meetellen. Dat staat in de toelichting, en daarin heeft het kabinet bewust niet alles vastgelegd, omdat het werk in de praktijk te veel verschilt. Hieronder staat wat wel duidelijk is, en welke vragen nog open zijn.
Dit is wel duidelijk, maar pakt vaak anders uit dan je verwacht
Je eigen instrument, camera of laptop trek je niet van je vergoeding af. Dat is een bedrijfsmiddel dat je bij meer opdrachten gebruikt, ook als je het speciaal voor deze productie hebt gekocht. Hetzelfde geldt voor de reis van huis naar de opdracht: die tijd telt niet mee en die kosten gaan er niet af. Volgens de toelichting zitten die kosten al in je tarief verwerkt.
Dit is nog onzeker
- Welke periode meetelt bij een opdracht die al liep: begon je samenwerking vóór 31 december 2026, dan kun je je vanaf die datum op de regel beroepen. Of je dan ook het werk van daarvóór kunt meenemen, is niet vastgelegd.
- Voorbereiding die je vaker gebruikt: denk aan een programma dat je twintig keer speelt, of een workshop die je vaker geeft. Hierover staat niets in de toelichting. Wel geldt als algemene lijn dat wat je voor meer opdrachten gebruikt, niet bij één opdracht hoort. Dat wijst erop dat je die voorbereiding zou moeten verdelen over alle keren dat je het uitvoert, in plaats van alles bij de eerste opdracht op te tellen. Zeker is dat niet. Het scheelt veel: hoe minder uren je mag meetellen, hoe hoger je uurtarief uitkomt.
- Een buy-out of een vergoeding voor gebruiksrechten: krijg je één bedrag waarin zowel je werk zit als het gebruik daarvan, bijvoorbeeld bij een foto, een illustratie of een compositie? Dan is de vraag of dat hele bedrag een beloning is voor je arbeid. De toelichting gaat daar niet op in.
- Reizen tijdens de opdracht: van huis naar de opdracht telt niet mee, dat is duidelijk. Over reizen tussen twee speellocaties op een tournee, of tussen scholen op dezelfde dag, is niets vastgelegd.
Heb je hiermee te maken? Dan is er momenteel nog geen eenduidig antwoord te geven. Je kunt het op twee manieren uitrekenen en opschrijven welke keuze je hebt gemaakt en waarom. Dan kun je later uitleggen hoe je aan dat bedrag komt.
Is er loonheffing ingehouden op je gage?
Treed je op en betaalt je opdrachtgever je via de artiestenregeling, dan houdt hij loonheffing in voordat je het geld krijgt. Reken in dat geval met het brutobedrag zonder btw, dus met de gage die is afgesproken en niet met wat er op je rekening is bijgeschreven. Doe je dat niet, dan kom je veel te laag uit.
Let ook op de kleine vergoedingsregeling (KVR). Word je via de artiestenregeling betaald, dan kun je op de gageverklaring aangeven dat je een deel van je gage als beroepskosten aftrekt, tot maximaal 163 euro per optreden. Over dat deel houdt je opdrachtgever geen loonbelasting en geen premie in. Je gage zelf wordt er niet lager van, en dat blijft dus het bedrag waarmee je rekent. Bij de kleinevergoedingsregeling gaat het bijvoorbeeld om reiskosten of maaltijdkosten. Let op dat je die niet nog een keer aftrekt bij het omrekenen naar een uurtarief. Je reis van huis naar de opdracht mag je daar juist niet meerekenen.
De artiestenregeling behandelt je voor de belasting en de premies als werknemer, maar arbeidsrechtelijk niet. Je hebt dus geen ontslagbescherming, geen loondoorbetaling bij ziekte en geen cao. Ook als je via de artiestenregeling wordt betaald, kan het rechtsvermoeden je daarom iets opleveren.
Werk je via een bureau of tussenpersoon?
De nieuwe regel gaat over arbeid die je verricht voor een ander, tegen een beloning die je van diezelfde ander krijgt. Werk je via een bureau, een productiehuis of een andere tussenpersoon, dan is er meer dan één partij in het spel: je werkt op de ene plek en je wordt betaald door een andere.
Of het rechtsvermoeden in zo’n driehoek werkt en tegen wie, is een vraag die de wetgever niet heeft beantwoord. Werk je op bovenstaande wijze? Houd er dan rekening mee dat hier nog geen antwoord op is te geven.
Wat gebeurt er als je het rechtsvermoeden inroept?
Wil je een beroep doen op het rechtsvermoeden dan moet je beginnen bij je uurtarief. Kun je aantonen dat je beloning op of onder de tariefgrens lag, dan gaat de rechter er voorlopig van uit dat je een arbeidsovereenkomst hebt. Voorlopig, want je opdrachtgever krijgt de kans dat vermoeden te weerleggen.
De nieuwe regel verandert namelijk niets aan wat een arbeidsovereenkomst is. Daarvoor blijven dezelfde vragen gelden: doe je het werk zelf, krijg je er loon voor, en werk je onder leiding van je opdrachtgever? De rechter weegt alle omstandigheden samen, aan de hand van de negen gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest. Welke dat zijn, lees je in ons artikel Zzp’er in de cultuursector: werk je écht zelfstandig?
Wat de nieuwe regel wel verandert is bij welke partij het initiatief ligt. Normaal moet je als eisende partij onderbouwen dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Met het nieuwe rechtsvermoeden wordt dat omgedraaid: je opdrachtgever is als eerste aan zet. Hij kan twee kanten op: laten zien dat je uurtarief toch boven de grens lag, of laten zien dat je in de praktijk niet als werknemer werkte, bijvoorbeeld omdat hij niet bepaalde hoe en wanneer je je werk deed.
Hij hoeft daarvoor niet te bewijzen dat je ongelijk hebt. Volgens de toelichting bij de wet is het genoeg als hij zoveel concrete feiten aandraagt dat de rechter gaat twijfelen. Gebeurt dat, dan vervalt het vermoeden en moet jij zelf onderbouwen dat er wel een arbeidsovereenkomst was.
Je tarief telt dan overigens nog steeds mee. De hoogte van je beloning is zelf een van de negen gezichtspunten. Het weegt daarna dus mee als een van de omstandigheden, alleen niet meer als startpunt. Het rechtsvermoeden verlaagt daarmee de drempel om iets aan te kaarten, het is niet doorslaggevend.
De wetgever verwacht dat de regel vooral vooraf werkt. Opdrachtgevers zullen bij een laag tarief eerder nagaan of het werk wel door een zelfstandige gedaan kan worden. De kans is dus groot dat je hier eerder in een gesprek over je opdracht mee te maken krijgt dan bij de rechter.
Wat levert een geslaagd beroep op?
Slaagt je beroep op het rechtsvermoeden, dan heb je een arbeidsovereenkomst. Wat daarin staat, is niet in de wet geregeld. Dat laat het kabinet aan de rechter. Ging het om een duidelijk afgebakende opdracht, dan sluit de omvang van het contract daarbij aan. Is dat onduidelijk, dan geeft artikel 7:610b van het Burgerlijk Wetboek houvast. Die regel gaat niet over de vraag of je een arbeidsovereenkomst hebt, maar over hoeveel uur die omvat: er wordt dan gekeken naar het gemiddelde van de drie maanden ervoor.
Waar kun je aanspraak op maken?
Wat je eraan hebt, verschilt per situatie. Werkte je als gewone opdrachtnemer, dan heb je nu je een arbeidsovereenkomst hebt recht op onder andere loondoorbetaling bij ziekte, vakantiegeld en ontslagbescherming. In een eventuele toepasselijke cao kunnen nog veel meer aanvullende (secundaire) arbeidsvoorwaarden zijn afgesproken. Ook ben je verzekerd voor de werknemersverzekeringen, en dat geldt ook als je opdrachtgever daarvoor nooit premie heeft afgedragen. In ons artikel ‘Kan ik als zelfstandige ook WW ontvangen?‘ lees je wat dat verschil betekent. Werd je via de artiestenregeling betaald, dan was dat verzekeringsdeel al geregeld en zit de winst vooral in de arbeidsrechtelijke bescherming.
Een deel van bovenstaande voorzieningen kun je met terugwerkende kracht opeisen. Volgens de toelichting bij de wet kun je dan alsnog aanspraak maken op het loon dat voor je gold, bijvoorbeeld een cao-loon of het minimumloon, en op zaken als overwerkvergoeding, onregelmatigheidstoeslag, vakantiebijslag en doorbetaalde vakantiedagen. Voor loon kun je tot vijf jaar terug. Let wel op de termijnen: voor een transitievergoeding heb je maar drie maanden nadat de overeenkomst is geëindigd. Laat je die termijn verlopen, dan vervalt je recht.
Pensioenopbouw hoort hier niet automatisch bij. Dat hangt ervan af of bij die werkgever een pensioenregeling geldt.
Wat het niet doet, en wat je kwijtraakt
Zolang er geen uitspraak van een rechter is, kunnen de Belastingdienst en het UWV zich niet op het rechtsvermoeden beroepen. Zij doen hun eigen onderzoek. Is er wel een uitspraak, dan werkt die breed door: die instanties kunnen er dan van uitgaan dat er een arbeidsovereenkomst is.
Daar staat tegenover dat de belastingvoordelen van het ondernemerschap vervallen, zoals de zelfstandigenaftrek. Blijf je daarnaast voor andere opdrachtgevers als zzp’er werken, lees dan ook ons artikel ‘Loondienst én zzp: waar moet je op letten?‘ om te weten waar je overal rekening mee moet houden.
Er is nog een andere regel
Er bestaat al langer een tweede regel die, net als de nieuwe, kan leiden tot het vermoeden dat je een arbeidsovereenkomst hebt. Die staat in artikel 7:610a van het Burgerlijk Wetboek en kijkt niet naar je tarief, maar naar hoe lang en hoe vaak je voor iemand werkt. Werk je drie maanden achter elkaar voor dezelfde opdrachtgever, elke week of ten minste twintig uur per maand, dan wordt ook vermoed dat je een arbeidsovereenkomst hebt. Die regel blijft gewoon bestaan.
Je kunt je op allebei beroepen, tegelijk. Dat vergroot je kans. En daarnaast blijft de hoofdregel staan: of er een arbeidsovereenkomst is, hangt af van hoe jullie in de praktijk met elkaar werken.
Bij een langlopende samenwerking kan die tweede regel eenvoudiger zijn, want dan hoef je geen gage om te rekenen naar een uurtarief.
En je tarief?
De tariefgrens zegt niets over wat een redelijk tarief is. Het is een bewijsregel: hij bepaalt wie zich op het rechtsvermoeden kan beroepen. Een tarief boven de grens is dus niet automatisch passend, en het sluit ook niet uit dat er sprake is van schijnzelfstandigheid.
Toch is het geen willekeurig bedrag. Bij het bepalen ervan is gerekend met 120 procent van het minimumloon, bij 36 uur per week en 46 weken per jaar. Daar is 25 procent bij opgeteld voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioen, en 15 procent voor algemene kosten. Dat bedrag is daarna nog met anderhalf vermenigvuldigd, omdat een zelfstandige gemiddeld maar tweederde van zijn uren kan factureren. Het kabinet noemt dat zelf een grove benadering.
Anders gezegd: de grens gaat ervan uit dat jij je verzekering, je pensioen, je algemene kosten en je onbetaalde uren uit je tarief betaalt. Of dat in jouw geval uitkomt, is een andere vraag. Met de rekentool cao-loon naar zzp-tarief reken je een cao-loon om naar een tarief.
Wat is een eerlijk tarief?
De tariefgrens in de wet zegt niets over wat jouw werk waard is. In het programma fairPACCT werken partijen uit de culturele en creatieve sector aan afspraken over eerlijke beloning, per discipline via ketentafels en via functiewaardering. Wat daar wordt afgesproken is geen wettelijke norm, maar het kan houvast geven in een gesprek over je tarief.
Waar je terecht kunt
Je hoeft dit niet alleen uit te zoeken. Het gesprek met je opdrachtgever kan een eerste stap zijn. Ben je lid van een vakbond of beroepsorganisatie, dan kun je daar met je situatie terecht. En uiteindelijk kun je het aan de rechter voorleggen. In ons artikel ‘‘Zzp’er in de cultuursector: werk je écht zelfstandig?‘ staat een overzicht van organisaties waar je als zelfstandige terechtkunt.
Disclaimer
Dit artikel geeft praktische uitleg en is geen juridisch advies. Het rechtsvermoeden gaat pas gelden vanaf 31 december 2026. Het bedrag van de tariefgrens was bij het schrijven van dit artikel nog niet officieel vastgesteld, en op een aantal punten is nog niet duidelijk hoe de regel in de praktijk uitpakt. Regels en uitvoering kunnen dus wijzigen. Twijfel je over een specifieke situatie? Bespreek het met een jurist, een (loon)boekhouder of een adviseur.